Logo van de kerkZicht op de kerkKerk aan binnenzijdeGlasraamZicht op de kerkLogo Web Ronse
titel
Agenda Contact Log in


Pasen

Preken en bemoedigingen


Bij het inpakken van mijn boeken voor de verhuis in augustus vorig jaar kwam ik twee schattige jeugdboeken tegen. Het ene heet “hugo” en het andere “Hugo en Jozefien”. Ik heb ze bewaard om mezelf eraan te herinneren dat ik deel 3 “Jozefien” – mijn lievelingsboek van toen – mankeer.
In het boek “Jozefien” zat een prachtige passage die ik me als kind altijd ben blijven herinneren. Jozefien maakt iets mee – ik weet niet meer wat – maar ze wordt wakker in een prachtige tuin. Ze opent haar ogen en er komt een meneer die haar in zijn armen pakt. Ze vraagt onmiddellijk of ze in de hemel is en of de meneer God is. Hij lacht en zegt: neehoor, ik ben de tuinman.

Het verhaal wordt nog veel mooier, als je ’t naast het Paasverhaal legt, waarin de mensen het niet zo vanzelfsprekend vinden dat je na de dood gewoon verderleeft en dat je in de tuin God zelf of zijn Zoon kunt tegenkomen.
Maria is zo in de ban van wat er de voorbije dagen is gebeurd, van de gruwel, het lijden en de dood, dat ze Jezus niet eens herkent, ze ziet hem voor de tuinman aan.
Mis, helemaal mis, zou je denken, dat ze door haar tranen heen de werkelijkheid niet kan zien, maar in een bijbels verhaal zit altijd veel meer dan wat wij er zo direct in lezen.
De tuinman is de shomèr hagan, letterlijk de bewaker van de tuin. Dat klinkt al een beetje gewichtiger. Vooral als je je realiseert dat in het boek Genesis, helemaal in het begin van de bijbel de bewakers van de tuin ook worden genoemd. In het begin was de tuin van Eden de plaats waar de mens woonde. Het was er prachtig. Alles was goed en zeer goed, er was geen ziekte, geen pijn geen dood. Geen dieren die elkaar verscheurden, geen mensen die dieren aten, geen mensen die elkaar het leven zuur maakten, geen oorlog, geen overstroming, geen tornado.
Maar de mens wilde meer. De mens wilde God zijn en luisterde naar de stem van de slang.
En God liet de mens God zijn, maar niet meer in de tuin, want in de tuin stond de boom des levens en als de mens daarvan at, zou hij eeuwig leven.
En waarom mocht dat niet meer, dat eeuwig leven voor de mens?
Omdat hij ervoor gekozen had te leven met kwaad in zijn hart. Als hij eeuwig zou leven, zou dat impliceren dat het kwaad ook eeuwig zou bestaan.
En toen werd de tuin iets anders. De tuin werd gras en bloemen en in Johannes 20 werd de tuin een plaats om mensen te begraven. Zo anders was de wereld dan het paradijs in Eden. In de wereld die ons wordt toegewezen, herinneren zelfs de mooiste plekken ons aan de dood en aan ons sterfelijk leven.
De tuin van Eden, daar kon de mens niet meer in. Daar stonden twee engelen als bewakers. Zij stonden daar sjemor hagan, om de tuin te bewaken.
Wanneer Maria Jezus ziet, denkt zij dat het een sjomèr hagan is, een bewaker van de tuin.
De vraag is: heeft het één met het ander te maken? Het gemeenschappelijke woord is tuin, maar is er ook een gemeenschappelijk thema?
In de bijbel kan de ene tekst de andere uitleggen of aanvullen als ze met dezelfde woorden en over hetzelfde onderwerp spreken.

De bewakers van de tuin van Eden worden daar geplaatst opdat de mens met al zijn zondigheid niet zou kunnen terugkeren en van de boom des levens eten. Wij kunnen dus niet terug naar het paradijs, omdat er zonde in ons zit.
Er zijn allerlei zware theorieën rond “erfzonde” gepubliceerd. Het woord staat eigenlijk niet in de bijbel, maar het is zo eenvoudig als dit: Een japanse kerselaar brengt een japanse kerselaar voort en geen pruimenboom. Zo brengt ook Adam, die symbool staat voor “de mens” mensen als hemzelf voort, nl. mensen die in staat zijn om goed en kwaad te doen, mensen met goede én kwade neigingen. En ieder van ons heeft ook op zijn minst kwade neigingen. Diegenen die denken dat ze geen kwaad in zich hebben, dat ze alleen maar goed doen, doen al kwaad door dat te denken, want het is een leugen. Er is geen enkele mens perfect goed.

Maar dat wil zeggen dat de tuin van Eden leeg is en dat was niet de bedoeling. God gaf de mensen een wet om te respecteren. Door het feit dat ze aan die wet niet konden voldoen, zagen de mensen in dat ze inderdaad zondig waren. En dat ze dat eeuwig leven niet konden hebben.

Maar God wilde nog steeds,
Ondanks al het gemor en geklaag,
Ondanks de leugen en de gruwel,
Ondanks de onderdrukking en uitbuiting,
Ondanks het racisme en geweld,

Dat de mens bij Hem in het paradijs kwam wonen.

Maar de mensen konden de opeenstapeling van hun straffen niet dragen en het hielp zelfs niet met straffen en offers.

Er was maar één mogelijkheid, dat de straf gedragen werd door de sterkste mens ooit. Dat was Jezus, Jezus die de kracht van God zelf in zich had.

De dood kon Jezus niet vangen, want de dood was een gevolg van de zonde en Jezus zondigde niet.
De bewakers van de tuin moesten Jezus doorlaten en hij had iemand met zich meegebracht: de misdadiger aan het kruis naast hem, die erkend had dat Jezus onschuldig was. “Vandaag nog zult gij met mij in het paradijs zijn.”, zei Jezus.
En zo kon de hof van Eden zich weer vullen.

In hoofdstuk 14 van het Johannesevangelie staat dat Jezus zegt: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader, tenzij door Mij.
Ik ben de weg… Derech, is de term die gebruikt wordt. En dat is precies hetzelfde woord als er in Genesis 3 wordt gebruikt om de toegang tot de tuin van Eden aan te duiden.

Jezus is de weg…
En zo wordt een tuin die gebruikt werd als kerkhof
Tot een tuin van eeuwig leven.

Maria kan haar ogen niet geloven.
Geloven is nochtans wel wat van ons wordt gevraagd.
Zonder dat ze ’t beseft, heeft Maria goed gezien:
Jezus als tuinman,
Jezus als bewaker van en toegang tot het eeuwig leven.

Hij vraagt Maria om Hem los te laten en het goede nieuws aan de leerlingen te gaan vertellen.
Met dat vertellen ontstaat iets.

Eerst wat onwennigheid en ongeloof,
Maar daarna geloof in de Levende Heer,
Hij die sterker is dan de dood
En alle kwaad overwint.

Mensen realiseerden zich welk groots gebeuren had plaatsgevonden. Het allergrootste gebeuren in de geschiedenis van de mensheid, wan t zoals Chambers het zegt:
Toen Jezus Christus zijn bloed op het kruis vergoot, was het niet het bloed van een martelaar of het bloed van een man voor een ander, maar het was het leven van God dat vergoten werd om de wereld te verlossen.

En dit grootste nieuws werd doorverteld en bracht nieuw leven, overal waar mensen in de put zaten, er niets van snapten, in het leven ontgoocheld waren, niemand waren… zij kregen perspectief, want er was meer dan hun dagelijkse problemen.
Het verhaal van Jezus was er niet één van ondergang alléén.
Hij had alle schijn tegen, maar in werkelijkheid was het een verhaal van koningschap en overwinning.
En zo konden de mensen ook hun leven in het teken van overwinning en van leven zetten.

Het was een beetje zoals Jozefien, die zich in de tuin bevond in de armen van een tuinman, maar het gevoel had dat ze in de hemel was in de armen van God.
Pasen veranderde mensen en het verhaal en de verhalen werden doorverteld en op vandaag mogen wij weten:
Christus leeft en wij met hem
En tussen de stenen van het lijden groeien bloemen
En zelfs als het graf dichtgaat,
Zijn wij met Zijn heerlijkheid omkleed
En de bewaker van de tuin, hij rolt de steen voor ons weg
En wijst ons de weg naar de plek waar we dat leven op een hemelse manier mogen verderzetten.



© 2017 - Protestants-evangelische kerk Ronse-Maarkedal-Kluisbergen - - - Aantal bezoekers: 49.

Nu is er 1 bezoeker online - - - De meeste bezoekers ooit online was: 1 op 18-11-2017 (sedert 1-10-2017).



Uw browser is: Unknown ? overzicht Unknown rapport:
CCBot/2.0 (http://commoncrawl.org/faq/)